Financieel woordenboek
De begrippen die in polissen, offertes en nieuwsberichten steeds terugkomen, in gewone taal uitgelegd.
Bijgewerkt op
Wie zich in geldzaken verdiept, loopt vast op woorden. Niet omdat de onderliggende gedachte ingewikkeld is, maar omdat de sector een eigen vocabulaire heeft dat zelden wordt uitgelegd. Deze woordenlijst verzamelt de termen die in Nederlandse polisbladen, hypotheekoffertes, jaaroverzichten en nieuwsberichten het vaakst voorkomen.
Elke omschrijving beschrijft wat het begrip betekent en waarom het uitmaakt. Er staan geen bedragen of percentages bij, omdat die per jaar veranderen en de uitleg daarmee snel onjuist zou worden. De lijst groeit mee met de artikelen die op dit magazine verschijnen.
Aflossingsvrij
Een leningvorm waarbij je gedurende de looptijd alleen rente betaalt en de hoofdsom niet daalt. Aan het einde van de looptijd staat het geleende bedrag er dus nog. Dat maakt de maandlast laag en de eindafspraak belangrijk.
Annuiteit
Een aflosvorm met een gelijkblijvend maandbedrag, waarin het aandeel rente daalt en het aandeel aflossing stijgt. Het bedrag voelt stabiel, terwijl de opbouw eronder verschuift.
Basisverzekering
De wettelijk verplichte zorgverzekering in Nederland, met een pakket dat door de overheid wordt vastgesteld. Verzekeraars mogen verschillen in premie en in de manier waarop zorg wordt ingekocht, niet in de inhoud van het basispakket.
Bedrijfsobligatie
Een verhandelbare lening aan een onderneming. De belegger leent geld uit en ontvangt rente; het risico is dat de onderneming niet terugbetaalt. Zie het stuk over beleggen in bedrijfsobligaties voor de werking.
Buffer
Spaargeld dat apart staat om tegenvallers op te vangen zonder te lenen. De omvang hangt af van je vaste lasten en van hoe zeker je inkomen is.
Dagwaarde
De waarde van een bezit op het moment van schade, met afschrijving verrekend. Het tegenovergestelde van nieuwwaarde, en een van de belangrijkste verschillen tussen twee polissen die verder gelijk lijken.
Eigen risico
Het deel van een schade of zorgkostenpost dat je zelf betaalt voordat de verzekeraar uitkeert. Een hoger eigen risico verlaagt de premie en verhoogt het bedrag dat je bij een gebeurtenis zelf moet kunnen dragen.
Erfpacht
Een recht om grond te gebruiken die van iemand anders is, tegen een periodieke vergoeding of een afgekocht bedrag. Komt vooral voor in grote steden en heeft invloed op de waarde en de financierbaarheid van een woning.
Executiewaarde
Een taxatiebegrip dat uitgaat van een gedwongen verkoop. Het wordt minder gebruikt dan vroeger, maar duikt nog op in oudere documenten en gesprekken.
Inflatie
De stijging van het algemene prijspeil. Bij gelijkblijvend inkomen betekent inflatie dat je met hetzelfde bedrag minder koopt; bij spaargeld betekent het dat de koopkracht van je saldo daalt als de rente lager is dan de prijsstijging.
Kosten koper
De eenmalige kosten bovenop de koopsom van een woning die voor rekening van de koper komen. Wat er precies onder valt, verschilt per situatie en per soort woning.
Nominaal en reeel
Een nominaal bedrag is het bedrag zoals het er staat; een reeel bedrag is dat bedrag gecorrigeerd voor prijsstijging. Nieuwsberichten wisselen tussen beide, en dat verandert de betekenis van een cijfer volledig.
Opstalverzekering
Een verzekering voor het gebouw zelf: muren, dak, vaste installaties. Onderscheiden van de inboedelverzekering, die gaat over wat er los in het huis staat.
Polisblad
Het document waarop staat wat er precies verzekerd is: het verzekerd belang, de dekking, de uitsluitingen, het eigen risico en de looptijd. Het is het enige document dat telt bij een schade.
Rente
De prijs van geld in de tijd. Bij een lening betaal je die prijs, bij sparen ontvang je hem. De hoogte hangt onder meer af van looptijd, zekerheid en de rente die centraal wordt vastgesteld.
Rentevaste periode
De periode waarin het rentepercentage van een hypotheek niet verandert. Een langere periode geeft zekerheid over de maandlast, een kortere geeft meer beweeglijkheid.
Spreiding
Het verdelen van beleggingen over verschillende beleggingen, sectoren en regio's, zodat een tegenvaller bij een van hen niet de hele inleg raakt. Spreiding neemt risico niet weg, maar verandert de vorm ervan.
Uitsluiting
Een situatie die de polis uitdrukkelijk niet dekt. Uitsluitingen bepalen samen met de dekking wat een verzekering waard is, en ze staan zelden op de voorkant.
Vaste lasten
Uitgaven die elke maand terugkomen en waarvan de hoogte grotendeels vaststaat: huur of hypotheek, energie, verzekeringen, abonnementen, vervoer. De basis van elk budget.
Verzekerd belang
Het bezit of het risico waarop de polis betrekking heeft. Als het verzekerd belang niet klopt, bijvoorbeeld na een verbouwing, dekt de polis minder dan je denkt.
WOZ-waarde
De waarde die de gemeente aan een woning toekent voor belastingdoeleinden. Die waarde speelt een rol bij verschillende heffingen en wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld.
Zelfstandigenaftrek
Een fiscale regeling voor ondernemers die aan het urencriterium voldoen. De regeling is de afgelopen jaren stapsgewijs aangepast, dus de actuele voorwaarden controleer je bij de Belastingdienst.
Deze lijst is bewust beschrijvend. Hij vertelt je wat een woord betekent, niet wat je moet doen. Wil je zien hoe de begrippen in de praktijk samenkomen, lees dan het stuk over een budget maken of het overzicht van essentiele verzekeringen.
Mis je een term, dan houdt de redactie zich aanbevolen. Een korte mail met het woord en de zin waarin je het tegenkwam is genoeg om de lijst uit te breiden.